
Het antwoordapparaat was mijn beste vriend. Het
filterde mijn gesprekken en het gaf me de mogelijkheid de indruk te wekken
bezig te zijn, terwijl ik lamlendig in bed lag met de krant van gisteren.
Of bijvoorbeeld in het café zat. Ook nu drukte ik weer met genoegen op de
knop. Het was te vroeg om naar bed te gaan, dus was het tijd voor de kroeg.
Toen ik de deur opende van mijn stamcafé bleef ik even staan. Behalve Theo,
de cafébaas, was er niemand binnen. Dat kwam niet vaak voor.
Ik ging aan de bar zitten op mijn vaste plek.
‘Waar is iedereen?’ vroeg ik aan Theo. Ik was gewend dat mijn benedenbuurman,
Fons, de acteur, in het café zat en natuurlijk August, de schaker.
‘Ze zijn naar de zilveren bruiloft van Aat,’ zei Theo, terwijl hij zich vooroverboog
om een flesje uit de koelkast te pakken. Aatje was de eigenaresse van de kruidenierswinkel.
Dat was waar ook. Ik was het helemaal vergeten.
‘Een Spaatje voor Wanda.’ Hij schonk het flesje leeg in een glas en zette
het voor me neer. Hij liep terug naar de andere kant van de bar waar de krant
opengeslagen lag. Ik staarde voor me uit en bekeek de ansichtkaarten. Theo
werd in beslag genomen door de krant en er zat verder niemand in het café
om mee te praten.
Ik dronk mijn glas leeg en stond op.
De deur ging open. Ik draaide me om. Niet uit nieuwsgierigheid, maar uit gewoonte.
Een keurige, jonge man in een donkergrijs pak stapte naar binnen. Hij klom
op een barkruk en bleef ineengedoken zitten. Theo keek op, maar kwam niet
in beweging.
‘Vreemdeling zeker, die verdwaald is zeker.’ Dat was nou Theo’s humor. De
man keek hem aan, maar zei niets. Ik voelde me geroepen te helpen. Het was
ons stamcafé en dat moest het ook zeker blijven, maar we moesten niet vijandig
gaan doen.
‘Geef die man een glas jenever,’ zei ik, ‘en zet het op mijn rekening.’ Het
was niet mijn gewoonte vreemde mannen wat te drinken aan te bieden, maar iets
zei me dat deze man een borrel nodig had. Geen reactie. Ook best. Had ik maar
niet zo joviaal moeten zijn. Dat kon sommige mensen afstoten.
‘Bedankt,’ klonk het ineens naast me. Het donkergrijze pak was tot leven gekomen.
Hij nam het glas en dronk het in een keer leeg. ‘Ik betaal.’ Ik haalde mijn
schouders op. ‘Ik dacht gewoon, die is hard aan een borrel toe, dat was alles.’
Hij stond op en legde een briefje van tien gulden op de bar.
‘Ik had u graag wat aangeboden, maar ik moet helaas weer weg.’ ‘Waar moet
je heen?’ vroeg ik. Het was eruit voordat ik er erg in had. ‘Ik moet met de
trein terug naar Den Haag.’
‘Wat doet een Hagenees in Amsterdam?’
Hij glimlachte. ‘Hier kennen ze me niet.’
We staarden allebei voor ons uit. Ik geloof dat we een beetje verlegen waren.
De telefoon ging. Theo nam op en grijnsde. ‘Het zijn die lui op Aatjes feest,
ze vragen wanneer we komen. Zo te horen hebben ze ‘m al aardig zitten.’ Ik
schudde mijn hoofd. Aatje en haar man waren mij dierbaar, maar ik was niet
geïnteresseerd in bruiloften, zilver, koper of goud. In mijn niet onknappe
buurman had ik wel interesse.
Ik stak mijn hand uit naar de Hagenees. ‘Wanda Porcelyn, aangenaam.’ Hij schudde
mijn hand, maar zei zijn naam niet.
‘Stille avond, nietwaar,’ zei ik om iets te zeggen. Hij glimlachte. En precies
die blik, dat deed het hem. Dat kwetsbare, daar viel ik op. En misschien viel
hij op oudere, rijpe vrouwen? Dat zou toch best kunnen?
Opeens ging de deur met een klap open. Twee mannen in regenjassen kwamen binnen
en stapten direct op de Hagenees af. Hij scheen ze te kennen, want hij noemde
hun namen.
‘De auto staat voor de deur,’ zei de jongste van de twee.
‘Ga je mee?’
‘Ik dacht het niet,’ zei de Hagenees, heel wat minder verlegen. ‘Ik zit hier
goed.’
‘Het lijkt me toch beter dat je mee naar buiten gaat,’ antwoordde de ander.
‘Laat me met rust,’ zei de Hagenees en hij gaf een van de mannen een duw.
Dat had hij niet moeten doen, want hij werd door twee paar armen stevig vastgegrepen.
Theo keek met open mond toe. Van hem konden we dus niet zo veel verwachten.
‘Zeg, zeg,’ zei ik. ‘Moet dat nou?’
Een van de mannen keek me aan. ‘Ik geloof niet dat dit uw zaken zijn.’
Ik wilde wat terugzeggen, maar de Hagenees was me voor. ‘Laat maar, Wanda,
dit is een persoonlijke kwestie.’ Hij trok zich los. ‘Rustig maar, ik ga wel
mee.’
Maar dat deed hij niet. Het leek alsof hij plotseling niet meer op zijn benen
kon staan, want hij zakte onder de bar in elkaar. In zijn val trok hij een
barkruk mee. Hij viel met zijn volle gewicht op mijn tas die ik onder de bar
had gezet. We staarden alledrie een ogenblik naar de Hagenees die op de grond
lag. Maar niet lang. De twee mannen kwamen in actie en trokken hem overeind.
‘Zullen we gaan,’ zei hij alsof er niets gebeurd was en klopte het stof van
zijn jas. Een van de mannen legde een briefje van 25 gulden op de bar. ‘Sorry
voor de overlast.’
Zonder om te kijken, vertrok de Hagenees. Zijn ‘vrienden’ achter hem aan.
‘Nou moe,’ zei Theo toen we allebei van de verbazing bekomen waren. ‘Dat is
de eerste keer dat ik een fooi krijg van je oud - collega’s’.
Hij raapte de 25 gulden op.
‘Dat was geen politie,’ zei ik.
‘Als dit geen politieagenten waren, wie waren het dan wel?’ Theo keek me vragend
aan. Ik haalde mijn schouders op.
Theo vouwde zijn krant dicht. ‘Ik ga naar Aatjes bruiloft. Er komt toch niemand
meer. Heb je zin om mee te gaan?’
‘Nee, ik ben moe, maar doe ze mijn hartelijke groeten.’ Ik pakte mijn verkreukelde
tas van de grond. ‘Schrijf je het op?’ Ik wees naar mijn glas op de bar.
Theo knikte. ‘Het is al goed, het is al goed.’
Thuisgekomen opende ik de koelkast. Behalve het restje afhaalchinees in een
plastic bakje vond ik aan eetbaars: Boursin en een halve komkommer. Op de
bovenste plank in de kast stond nog een pakje Melba toast. Ik nam een bord
mee naar de kamer en zette de televisie aan. Wat een avond.